ECLI:NL:RVS:2017:336
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar ontheffing afstandsverplichting nationaliteit
De appellant heeft bij koninklijk besluit het Nederlanderschap verkregen en daarbij afstand moeten doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Na benoeming tot algemeen directeur van een buitenlandse luchtvaartmaatschappij verzocht hij om ontheffing van deze afstandsverplichting. De staatssecretaris weigerde dit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de brief van de minister van 5 december 2014 wel een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is en dat de minister discretionaire bevoegdheid heeft om ontheffing te verlenen, ook na naturalisatie. De Afdeling oordeelt dat het verzoek om ontheffing als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 Awb Pro moet worden beschouwd en dat de reactie van de minister een besluit is.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het besluit van 4 augustus 2015 tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en gelast de minister om inhoudelijk op het bezwaar te beslissen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Deze uitspraak verduidelijkt de rechtspositie van naturalisanten die na verkrijging van het Nederlanderschap alsnog ontheffing van de afstandsverplichting wensen, en bevestigt dat dergelijke verzoeken als besluiten in de zin van de Awb gelden en dus aan bestuursrechtelijke toetsing onderhevig zijn.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring vernietigd, met gelaste inhoudelijke beslissing op het bezwaar.