ECLI:NL:RVS:2017:3387

Raad van State

Datum uitspraak
7 december 2017
Publicatiedatum
8 december 2017
Zaaknummer
201708543/1/V3 en 201708543/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:64 AwbArt. 8:81 AwbArt. 92 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel en inreisverbod, vernietiging rechtbankuitspraak wegens procedurefout

De staatssecretaris heeft bij besluit van 31 augustus 2017 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en een inreisverbod uitgevaardigd. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 23 oktober 2017 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

In hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte het onderzoek zonder nadere behandeling ter zitting had gesloten, terwijl volgens artikel 8:64, vijfde lid, Awb partijen eerst in de gelegenheid moeten worden gesteld om te verklaren of zij gebruik willen maken van hun recht ter zitting te worden gehoord. De Raad van State stelde vast dat de rechtbank dit niet correct had toegepast, waardoor het onderzoek onrechtmatig was gesloten.

Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor nieuwe behandeling en beslissing. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De proceskosten in hoger beroep werden vastgesteld op €495,00, waarvan de vergoeding door de rechtbank moet worden beslist.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor nieuwe behandeling.

Uitspraak

201708543/1/V3 en 201708543/2/V3.
Datum uitspraak: 7 december 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 23 oktober 2017 in zaak nr. NL17.8166 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 23 oktober 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In grief 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte het op 22 september 2017 geschorste onderzoek zonder nadere behandeling ter zitting heeft gesloten. Daartoe voert de vreemdeling aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij en de staatssecretaris toestemming hebben gegeven een verdere behandeling ter zitting achterwege te laten.
1.1.    Artikel 8:64, eerste lid, van de Awb luidt: 'De bestuursrechter kan het onderzoek ter zitting schorsen. […].'
Artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb luidt: 'De bestuursrechter kan bepalen dat de nadere zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. […].'
1.2.    De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 22 september 2017 geschorst teneinde de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. De staatssecretaris heeft een verklaring van onderzoek van 29 september 2017 overgelegd. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt niet dat de staatssecretaris en de vreemdeling in de gelegenheid zijn gesteld om binnen een door de rechtbank gestelde redelijke termijn te verklaren of zij gebruik willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, alvorens de rechtbank het onderzoek zonder nadere behandeling ter zitting heeft gesloten. Deze handelwijze verdraagt zich niet met artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb.
2.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
3.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
4.    De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 23 oktober 2017 in zaak nr. NL17.8166;
III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.    stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;
V.    wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Nieuwenhuizen
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2017
633.