ECLI:NL:RVS:2017:342
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering vergoeding immateriële schade na ongeldigverklaring rijbewijs
Appellant verzocht het CBR om vergoeding van immateriële schade wegens het onrechtmatig ongeldig verklaren van zijn rijbewijs en de verplichting deel te nemen aan een alcoholslotprogramma. Hij stelde dat dit leidde tot onrust, spanning en frustratie, mede doordat hij als automonteur zijn werk niet goed kon uitvoeren en het programma geheim moest houden voor zijn werkgever.
Het CBR weigerde de vergoeding en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij psychische schade had geleden die neerkomt op aantasting van zijn persoon.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank ten onrechte een medische verklaring als vereiste stelde en dat het alcoholslotprogramma een behoorlijke impact had gehad. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht aansluiting zocht bij het civiele schadevergoedingsrecht en dat appellant weliswaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij na het faillissement van zijn werkgever nog als automonteur werkte, maar dat zijn verklaringen niet leiden tot het oordeel dat hij zodanig heeft geleden dat sprake is van een aantasting van zijn persoon.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering van het CBR tot vergoeding van immateriële schade bevestigd.