ECLI:NL:RVS:2017:3452
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening proceskostenvergoeding na bezwaar tegen afwijzing toevoeging rechtsbijstand
Appellant had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van een aanvraag voor toevoeging rechtsbijstand door de raad voor rechtsbijstand. De rechtbank had de raad veroordeeld tot vergoeding van €78,36 aan proceskosten, waaronder verletkosten tegen een uurtarief van €7,00.
In hoger beroep betoogde appellant dat het uurtarief te laag was vastgesteld en stelde een tarief van €65,00 exclusief BTW. Bij de zitting overhandigde appellant facturen ter onderbouwing, waarna de Raad van State oordeelde dat het lagere tarief onjuist was en het hogere tarief gehanteerd moest worden, maar exclusief BTW omdat alleen werkelijk gemaakte kosten worden vergoed.
De Raad van State vernietigde het eerdere vonnis voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en stelde de vergoeding vast op €542,36, bestaande uit acht uur tegen €65,00 plus reiskosten van €22,36. Voor de proceskosten in hoger beroep werd geen vergoeding toegekend vanwege het ontbreken van een kostenstaat en het late overleggen van bewijs.
Daarnaast werd de raad veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €124,00. Hiermee werd het hoger beroep gegrond verklaard en de eerdere uitspraak herzien.
Uitkomst: De Raad van State verhoogt de proceskostenvergoeding aan appellant tot €542,36 en veroordeelt de raad tot vergoeding van het griffierecht.