ECLI:NL:RVS:2017:3534

Raad van State

Datum uitspraak
12 december 2017
Publicatiedatum
20 december 2017
Zaaknummer
201709582/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting en inreisverbod vreemdeling

De staatssecretaris heeft op 14 maart 2017 het verzoek van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, hem bevolen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod opgelegd. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep tegen het inreisverbod ongegrond verklaarde en het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag niet-ontvankelijk. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.

De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee hij zou worden beschermd tegen uitzetting totdat het hoger beroep is beslist, en om opvang en verstrekkingen te ontvangen op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

De voorzieningenrechter stelde vast dat de staatssecretaris de vreemdeling niet naar zijn land van herkomst zal uitzetten, waardoor er geen 'arguable claim' is. Ook waren er geen andere omstandigheden die een voorlopige voorziening rechtvaardigden. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk ongegrond af en oordeelde dat er geen reden was voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting en inreisverbod wordt afgewezen.

Uitspraak

201709582/2/V2.
Datum uitspraak: 12 december 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 november 2017 in zaak nr. 17/6545 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, bepaald dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 7 november 2017 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond verklaard en, voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hem gedurende die periode opvang en verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden.
2.    Niet in geschil is dat de staatssecretaris de vreemdeling niet naar zijn land van herkomst zal uitzetten. Gelet daarop is er geen 'arguable claim' als bedoeld in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3350. Nu ook anderszins niet is gebleken van omstandigheden die er voorshands toe nopen de gevraagde voorziening toe te wijzen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorziening, als verzocht, te treffen.
3.    Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Prins
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2017
837.