AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek tegen voorzitter meervoudige kamer wegens vermeende vooringenomenheid
Tijdens de openbare zitting van 10 februari 2017 verzocht de Vrouwen Partij om wraking van mr. D.A.C. Slump, voorzitter van de meervoudige kamer die de zaak behandelde. De partij stelde dat de voorzitter met een opmerking tijdens de zitting blijk gaf van vooringenomenheid en in strijd handelde met artikel 6 EVRMPro door zelf over het wrakingsverzoek te beslissen.
De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek ter zitting en hoorde de Vrouwen Partij, terwijl de staatsraad geen gebruik maakte van het recht om te worden gehoord. De Afdeling overwoog dat de beslissing over wraking aan de wrakingskamer is voorbehouden en dat de opmerking van de staatsraad verwees naar de wettelijke regeling dat een volgend wrakingsverzoek op dezelfde gronden niet in behandeling wordt genomen.
De Afdeling concludeerde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die de onpartijdigheid van de staatsraad in twijfel konden trekken en wees het wrakingsverzoek af. Tevens werd bepaald dat een volgend verzoek om wraking van dezelfde staatsraad op dezelfde gronden niet in behandeling zal worden genomen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzitter van de meervoudige kamer is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten die onpartijdigheid aantasten.
Uitspraak
201701122/3/A2.
Datum beslissing: 10 februari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek van:
de vereniging Vrouwen Partij, gevestigd te Den Haag,
Tijdens de openbare behandeling ter zitting van 10 februari 2017 van de zaak nr. 201701122/1/A2 heeft de Vrouwen Partij verzocht om wraking van mr. D.A.C. Slump (hierna: de staatsraad) als de voorzitter van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op 10 februari 2017 ter openbare zitting behandeld, waar de Vrouwen Partij is gehoord. De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Beslissing
Bij mondelinge beslissing van 10 februari 2017 heeft de Afdeling het verzoek om toepassing van artikel 8:15 vanPro de Awb afgewezen. Daartoe heeft zij het volgende overwogen.
Overweging
1. Artikel 8:15 vanPro de Awb bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Artikel 8:16, vierde lid, bepaalt dat een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in behandeling wordt genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Artikel 8:18, vierde lid, bepaalt dat in geval van misbruik de bestuursrechter kan bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt.
2. De Vrouwen Partij heeft verzocht om wraking van de staatsraad, omdat deze tijdens de zitting zou hebben opgemerkt dat wraking niet nog een keer mogelijk is. Dit duidt er volgens de Vrouwen Partij op dat de staatsraad zelf beslist over een hem aangaand wrakingsverzoek. Dit is volgens de Vrouwen Partij in strijd met artikel 6 vanPro het EVRM. Voorts heeft de staatsraad met de opmerking blijk gegeven van vooringenomenheid. De Vrouwen Partij heeft ter zitting van de behandeling van haar wrakingsverzoek uitdrukkelijk te kennen gegeven geen nadere toelichting te willen geven en geen vragen te willen beantwoorden.
De aanname dat de staatsraad zelf beslist over een hem aangaand wrakingsverzoek is feitelijk onjuist, omdat die beslissing aan de wrakingskamer is voorbehouden. Voorts heeft de staatsraad met de gemaakte opmerking bedoeld dat een volgend verzoek om wraking van dezelfde staatsraad en op grond van dezelfde feiten en omstandigheden als eerder aangevoerd niet in behandeling wordt genomen. Dit volgt ook uit artikel 8:16, vierde lid, van de Awb. De gemaakte opmerking betreft dan ook geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:15 vanPro de Awb.
3. Een volgend verzoek om wraking van de staatsraad in de zaak zal niet in behandeling worden genomen.
Aldus uitgesproken in het openbaar door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.