Art. 4:6 AwbArt. 3:4 AwbArt. 132, tweede lid, Wvw 1994Art. 20 Regeling (aanhef en onder o, onder IV)Art. 97, vijfde lid, Reglement Rijbewijzen
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek alcoholslotprogramma en ongeldigverklaring rijbewijs
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) had bij besluit van 21 november 2013 het rijbewijs van appellante ongeldig verklaard en haar verplicht deel te nemen aan het alcoholslotprogramma (asp). Appellante verzocht om herziening van dit besluit, stellende dat zij niet strafrechtelijk was veroordeeld en haar rijbewijs nodig had voor werk en privé.
Het CBR wees het herzieningsverzoek bij besluit van 21 september 2014 af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, conform artikel 4:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook het bezwaar en het beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard. Appellante stelde in hoger beroep dat het besluit evident onredelijk was, onder meer omdat zij de kosten van het asp niet kon dragen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het CBR terecht had geoordeeld dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. Persoonlijke omstandigheden hadden eerder ingebracht moeten worden. Ook is een rechterlijke uitspraak geen nieuw feit. Hoewel de Afdeling erkent dat het opleggen van een asp in sommige gevallen onevenredig kan zijn, heeft appellante dit niet voldoende onderbouwd. Bovendien heeft zij haar baan behouden en een oplossing gevonden voor het vervoersprobleem van haar zoon.
De Afdeling concludeert dat het CBR in redelijkheid het verzoek tot herziening kon weigeren en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
201603976/1/A1.
Datum uitspraak: 15 februari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 april 2016 in zaken nrs. 15/6883 en 15/7538 in het geding tussen:
[appellante]
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (lees: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 21 september 2014 heeft het CBR het verzoek om herziening van het besluit van 21 november 2013 tot verplichting om deel te nemen aan het alcoholslotprogramma en het ongeldig verklaren van het aan [appellante] afgegeven rijbewijs afgewezen.
Bij besluit van 16 oktober 2015 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 april 2016 heeft de rechtbank voor zover hier van belang het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. D.M.P. van Eijsden, advocaat te Den Haag, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het CBR heeft bij besluit van 21 november 2013 het aan [appellante] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard en haar verplicht aan een asp deel te nemen. Vaststaat dat dat besluit in rechte onaantastbaar is.
[appellante] heeft in haar verzoek om herziening van het besluit van 21 november 2013 te kennen gegeven dat zij niet strafrechtelijk is veroordeeld voor de gedraging die aan het besluit ten grondslag is gelegd en dat zij haar rijbewijs nodig heeft voor haar werk en privé.
Het CBR heeft het verzoek van [appellante] bij gebreke van een nieuw gebleken feiten en omstandigheden met toepassing van artikel 4:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) afgewezen.
2. Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb luidt: Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Het tweede lid luidt: Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 dePro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Gronden van het hoger beroep
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR ten onrechte haar verzoek om herziening van het besluit van 21 november 2013 heeft afgewezen. Daartoe voert [appellante] aan dat zij haar rijbewijs nodig heeft voor haar werk en privé. [appellante] voert verder aan dat de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. Zij is niet in staat om de kosten van het asp te voldoen waardoor zij gedurende een lange periode niet kan beschikken over een rijbewijs. Zij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622.
3.1. In dit geval heeft het CBR toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131 toetst de bestuursrechter in dit geval aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De door [appellante] bedoelde persoonlijke omstandigheden had zij in het kader van de eerdere besluitvorming kunnen aanvoeren en dat behoorde zij ook te doen. Over de uitspraak van 4 maart 2015 waarnaar [appellante] verwijst, overweegt de Afdeling dat zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3387 een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is.
3.2. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan, zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
In haar uitspraak van 4 maart 2015 heeft de Afdeling overwogen dat de gevolgen van het opleggen van een asp voor een aantal betrokkenen onevenredig kunnen zijn. Het betreft in de eerste plaats gevallen waarin iemand niet in staat is om aan het asp deel te nemen, hetzij omdat hij de kosten daarvan niet kan opbrengen, hetzij omdat hij niet in het bezit is van een eigen auto. Het gaat ook om personen die wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden meer dan gemiddeld afhankelijk zijn van het gebruik van een auto. [appellante] stelt dat zij behoort tot de categorie personen die niet in staat is om deel te nemen aan het asp omdat zij de kosten daarvan niet kan voldoen terwijl zij zowel voor haar inkomen als privé afhankelijk is van haar rijbewijs. Reeds nu [appellante] het aldus aangevoerde niet heeft onderbouwd, leidt dit niet tot het oordeel dat het in dit geval evident onredelijk is om niet van het besluit van 21 november 2013 terug te komen. Bovendien is ter zitting gebleken dat [appellante] sinds de oplegging van het asp en de ongeldigverklaring van haar rijbewijs haar baan heeft behouden en dat zij voor het vervoersprobleem van haar zoon een oplossing heeft gevonden. De Afdeling betrekt hierbij dat het CBR [appellante] heeft meegedeeld dat zij een nieuw rijbewijs zonder code voor een alcoholslot kan aanvragen indien zij een zogeheten "Eigen verklaring" heeft ingediend en haar rijgeschiktheid is aangetoond.
Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het CBR niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren terug te komen van het besluit van 21 november 2013.
Het betoog faalt.
4. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de toepassing van artikel 97, vijfde lid, van het Reglement Rijbewijzen in strijd is met artikel 3:4 vanPro de Awb. Daartoe overweegt de Afdeling dat aan het hier aan de orde zijnde besluit artikel 132, tweede lid, van de Wvw 1994, gelezen in verbinding met artikel 20, aanhef en onder o, onder IV van de Regeling ten grondslag is gelegd. Nu artikel 97, vijfde lid, van het Reglement Rijbewijzen niet aan het besluit ten grondslag is gelegd, kan de verbindendheid van dat artikel reeds om die reden hier niet aan de orde komen.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevallen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.