ECLI:NL:RVS:2017:518
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen dwangsom voor afvoer verontreinigde grond
Het college van gedeputeerde staten van Drenthe legde op 24 mei 2016 een dwangsom op aan de erven van een overledene om verontreinigde grond op een perceel op wettelijk voorgeschreven wijze af te voeren. Na bezwaar werd het besluit herroepen voor een belanghebbende die was uitgesloten van de erfenis, maar het bezwaar van verzoekster werd ongegrond verklaard. Verzoekster stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 14 februari 2017. Verzoekster betoogde dat er geen nieuwe verontreiniging was na 1987 en dat zij niet als overtreder kon worden aangemerkt omdat zij niet opdracht had gegeven tot de handelingen met de grond. De voorzieningenrechter twijfelde aan het standpunt van het college dat verzoekster als overtreder kon worden gezien en vond onvoldoende onderbouwing voor het opleggen van de dwangsom.
Gezien het feit dat het niet onmiddellijk afvoeren van de grond geen direct gevaar oplevert, besloot de voorzieningenrechter de dwangsombesluiten te schorsen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster en het griffierecht. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor de bodemprocedure.
Uitkomst: De dwangsombesluiten zijn geschorst en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.