ECLI:NL:RVS:2017:535
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G.T.J.M. Jurgens
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering kindgebonden budget ondanks bezwaar over toeslagpartner en financiële situatie
Bij besluit van 21 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van appellante over 2015 herzien naar € 2.247,00 en een bedrag van € 3.050,00 teruggevorderd. Appellante was het hier niet mee eens en stelde onder meer dat zij geen toeslagpartner heeft omdat zij niet samenwoont met haar echtgenoot, en dat de terugvordering niet redelijk is gezien haar financiële situatie.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellante en haar echtgenoot als toeslagpartners moeten worden aangemerkt op grond van artikel 3 Awir Pro en artikel 5a Awr, ongeacht het feit dat zij niet samenwonen. De rechtbank vond dat appellante geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan het toegekende voorschot en dat de Belastingdienst de terugvordering terecht kon uitvoeren zonder haar te horen in bezwaar.
In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak. De financiële situatie van appellante speelt geen rol bij de vraag of er sprake is van een toeslagpartner. De terugvordering is dwingendrechtelijk geregeld in artikel 26 Awir Pro en kan niet worden gematigd. De door appellante aangevoerde geloofsgronden om niet te scheiden worden buiten beschouwing gelaten omdat deze niet eerder zijn ingebracht.
De Raad van State concludeert dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het voorschot kindgebonden budget bevestigd.