ECLI:NL:RVS:2017:566

Raad van State

Datum uitspraak
2 maart 2017
Publicatiedatum
3 maart 2017
Zaaknummer
201608841/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • H. Troostwijk
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep in vreemdelingenzaak over veilig land van herkomst

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, legde een vertrektermijn op en vaardigde een inreisverbod uit. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, behoudens de verkorting van de vertrektermijn en het inreisverbod.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst rechtmatig was, conform eerdere uitspraken. De aangevoerde informatie door de vreemdeling leidde niet tot een ander oordeel.

Daarnaast werd overwogen dat de vreemdeling geen individuele omstandigheden had aangevoerd die het onthouden van een vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod disproportioneel maakten. Gezien het voorgaande werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 2 maart 2017 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

201608841/1/V2.
Datum uitspraak: 2 maart 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 november 2016 in zaak nr. NL16.2921 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 17 november 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan, met uitzondering van de verkorting van de vertrektermijn en het uitgevaardigde inreisverbod, in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K.J. Meijer, advocaat te Sint Annaparochie, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De in hoger beroep opgeworpen vragen over de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst, de informatiebronnen die de staatssecretaris moet betrekken bij zijn beoordeling of een land een veilig land van herkomst is en de mogelijkheid om een land als veilig land van herkomst aan te wijzen met een uitzondering voor één of meer groepen, zoals LHBT’s uit Marokko, heeft de Afdeling bij uitspraken van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:209 en ECLI:NL:RVS:2017:210, beantwoord. De Afdeling heeft geconcludeerd dat de staatssecretaris Marokko terecht heeft aangewezen als veilig land van herkomst. De in deze zaak ingebrachte informatie leidt niet tot een ander oordeel.
2. Hieruit volgt dat het hoger beroep kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.
3. De in beroep opgeworpen vragen over het onthouden van een vertrektermijn en het uitvaardigen van het inreisverbod heeft de Afdeling bij uitspraak van 6 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3281, beantwoord. De vreemdeling heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd die het onthouden van een vertrektermijn en het inreisverbod in zijn geval disproportioneel maken.
4. Gelet op het voorgaande en omdat er geen beroepsgronden meer zijn die bespreking behoeven, moet het beroep ongegrond worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 november 2016 in zaak nr. NL16/2921;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Verheij w.g. Bossmann
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2017
314-806.