ECLI:NL:RVS:2017:594
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen termijnoverschrijding inzake inzage strafdossier
Het college van procureurs-generaal heeft op 6 juni 2014 aan appellante B medegedeeld dat haar verzoek om inzage in het strafdossier wordt toegewezen. Appellante B maakte hiertegen bezwaar, maar dit werd bij besluit van 11 augustus 2015 niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante B ongegrond omdat geen verschoonbare termijnoverschrijding was vastgesteld.
Appellante B stelde in hoger beroep dat er gerede twijfel kon bestaan over het besluitkarakter van de brief van 6 juni 2014, mede omdat de brief geen rechtsmiddelenclausule bevatte en het verzoek oorspronkelijk aan de FIOD was gericht. De Raad van State oordeelde dat de brief van 6 juni 2014 een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is, omdat het college op grond van artikel 39i Wjsg het verzoek toewijst en dat dit besluit als een beschikking geldt.
Verder werd overwogen dat het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding kan leiden, maar niet indien de belanghebbende en haar professionele rechtsbijstandverlener gerede twijfel konden hebben over het besluitkarakter. Gezien de inhoud van de brief en de verwijzingen naar de Wjsg kon geen gerede twijfel bestaan. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt bevestigd.