ECLI:NL:RVS:2017:633

Raad van State

Datum uitspraak
8 maart 2017
Publicatiedatum
9 maart 2017
Zaaknummer
201608036/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • H. Troostwijk
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling veilige status Marokko en afwijzing verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 19 september 2016 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, legde hem een vertrektermijn op en vaardigde een inreisverbod uit. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en schrapte de vertrektermijn en het inreisverbod. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling beoordeelde de aangevoerde bezwaren, met name de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst. Zij verwees naar eerdere uitspraken waarin deze aanwijzing werd bevestigd en concludeerde dat de ingebrachte informatie geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. Tevens oordeelde de Afdeling dat de vreemdeling geen individuele omstandigheden had aangevoerd die het onthouden van een vertrektermijn en het inreisverbod disproportioneel maakten.

Gelet op deze overwegingen verklaarde de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 8 maart 2017.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris bevestigd.

Uitspraak

201608036/1/V2.
Datum uitspraak: 8 maart 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 oktober 2016 in zaak nr. NL16.2556 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 17 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven met uitzondering van het onthouden van een vertrektermijn en het uitgevaardigde inreisverbod. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.J. de Vries, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De in hoger beroep opgeworpen vragen over de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst, de informatiebronnen die de staatssecretaris moet betrekken bij zijn beoordeling of een land een veilig land van herkomst is en de mogelijkheid om een land als veilig land van herkomst aan te wijzen met een uitzondering voor één of meer groepen, zoals LHBT’s uit Marokko, heeft de Afdeling bij uitspraken van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:209 en ECLI:NL:RVS:2017:210, beantwoord. De Afdeling heeft geconcludeerd dat de staatssecretaris Marokko terecht heeft aangewezen als veilig land van herkomst. De in deze zaak ingebrachte informatie leidt niet tot een ander oordeel.
2. Hieruit volgt dat het hoger beroep kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.
3. De in beroep opgeworpen vragen over het onthouden van een vertrektermijn en het uitvaardigen van het inreisverbod heeft de Afdeling bij uitspraak van 6 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3281, beantwoord. De vreemdeling heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd die het onthouden van een vertrektermijn en het inreisverbod in zijn geval disproportioneel maken.
4. Gelet op het voorgaande en omdat er geen verdere beroepsgronden meer zijn die bespreking behoeven, moet het beroep ongegrond worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 oktober 2016 in zaak nr. NL16.2556;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, griffier.
w.g. Verheij w.g. Duyster
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017
664.