ECLI:NL:RVS:2017:637
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten in vreemdelingenzaak
De vreemdeling had bij besluit van 9 november 2011 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen gekregen door de minister voor Immigratie en Asiel. Na bezwaar en beroep werd het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk en vernietigde het besluit van 4 april 2016, waarbij de rechtsgevolgen van dat besluit in stand bleven.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de grieven van de vreemdeling niet tot vernietiging van de uitspraak konden leiden, behalve dat de rechtbank ten onrechte geen extra proceskostenvergoeding toe had gekend voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De Afdeling vernietigde daarom dit onderdeel van de uitspraak en veroordeelde de staatssecretaris tot een hogere vergoeding van de proceskosten.
De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor het hoger beroep en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van C.M. Wissels op 9 maart 2017.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot een hogere proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierecht aan de vreemdeling.