AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen toepassing spoedeisende bestuursdwang wegens onjuiste afvalaanbieding
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 4 maart 2016 spoedeisende bestuursdwang toegepast wegens het aanbieden van een doos naast een inzamelvoorziening voor papier, in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010. De doos bevatte reclamedrukwerk met naam en adresgegevens van appellante, waardoor het college haar als overtreder aanmerkte en haar aansprakelijk stelde voor een deel van de kosten.
Appellante voerde aan dat de doos niet van haar was en dat mogelijk iemand anders het reclamedrukwerk uit de container had gehaald en in de doos had gestopt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de persoon aan wie een afvalstof kan worden herleid in principe als overtreder wordt beschouwd, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze niet de overtreding heeft gepleegd.
De enkele stelling van appellante was onvoldoende om aannemelijk te maken dat zij niet de overtreder was. Daarom oordeelde de Afdeling dat het college haar terecht als overtreder had aangemerkt en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang is ongegrond verklaard.
Uitspraak
201604038/1/A1.
Datum uitspraak: 15 maart 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend te Den Haag,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2016 heeft het college zijn beslissing om op 4 maart 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van een doos op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een deel van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.
Bij besluit van 25 april 2016 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2017, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. R.W. Schrijver, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 4 maart 2016 ter hoogte van de [locatie] te Den Haag is aangetroffen naast een aanwezige inzamelvoorziening voor papier. Omdat in de doos reclamedrukwerk is aangetroffen met daarop de naam en adresgegevens van [appellante], stelt het college dat de doos van haar afkomstig is en dat zij deze in strijd met artikel 9 vanPro de Afvalstoffenverordening 2010 ter inzameling heeft aangeboden.
2. [appellante] betoogt dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Daartoe voert zij aan dat de doos niet van haar is en ook niet door haar naast de containers is neergezet. Volgens haar is het mogelijk dat iemand anders het reclamedrukwerk met daarop haar naam en adresgegevens uit de container heeft gehaald en in de doos heeft gestopt.
3. Artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt:
"Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:481), mag in de regel worden aangenomen dat de persoon tot wie een aangetroffen afvalstof kan worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.
3.1. Vast staat dat in de doos reclamedrukwerk is aangetroffen met daarop de naam en adresgegevens van [appellante], zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de doos tot haar herleidbaar is. Dit betekent dat het college mag aannemen dat [appellante] de overtreder is, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die de doos op onjuiste wijze heeft aangeboden.
De enkele stelling van [appellante] dat de doos niet van haar is en de suggestie dat iemand anders mogelijk het reclamedrukwerk in de doos heeft gestopt, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat zij niet degene is geweest die de doos op onjuiste wijze heeft aangeboden.
De conclusie is dat het college [appellante] terecht heeft aangemerkt als overtreder.
Het betoog faalt.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.