AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen invordering dwangsommen wegens illegale bewoning bijgebouw
Het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom legde op 17 juni 2015 een last onder dwangsom op aan verzoeker wegens illegale bewoning van een bijgebouw aan een locatie te Bergen op Zoom. Vervolgens werden twee dwangsommen van elk €5.000,- ingevorderd. Verzoeker maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten, maar zowel het college als de rechtbank verklaarden de bezwaren en het beroep ongegrond.
Verzoeker stelde dat de bewoning was toegestaan en dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsommen was verjaard. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat hij de dwangsommen niet hoefde te betalen totdat het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker een spoedeisend belang had, omdat verdere invorderingsmaatregelen door een deurwaarder waren aangekondigd en betaling ingrijpende gevolgen zou hebben.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de vraag of de bevoegdheid tot invordering is verjaard in de bodemprocedure moet worden onderzocht. Gezien de belangenafweging werd de voorlopige voorziening toegewezen. De invorderingsbesluiten van 25 september en 20 oktober 2015 werden geschorst totdat het hoger beroep is beslist. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van verzoeker.
Uitkomst: De invorderingsbesluiten van dwangsommen worden geschorst totdat het hoger beroep is beslist en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitspraak
201608976/2/A1.
Datum uitspraak: 16 januari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te Bergen op Zoom,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 oktober 2016 in zaak nr. 16/1450 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juni 2015 heeft het college aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd wegens illegale bewoning van het bijgebouw aan de [locatie] te Bergen op Zoom.
Bij besluit van 25 september 2015 heeft het college van [verzoeker] een dwangsom van € 5.000 ingevorderd.
Bij besluit van 20 oktober 2015 heeft het college van [verzoeker] een dwangsom van € 5.000 ingevorderd.
Bij besluit van 29 januari 2016 heeft het college het door [verzoeker] tegen deze drie besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 januari 2017, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door N.P. Schmitt, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Aan de bij het besluit van 17 juni 2015 opgelegde last is een dwangsom verbonden van € 2.500 per week, of deel van de week met een maximum van € 10.000. Bij de besluiten van 25 september 2015 en 20 oktober 2015 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] dwangsommen heeft verbeurd en heeft het een bedrag van in totaal € 10.000 van [verzoeker] ingevorderd. Deze besluiten heeft het college bij het besluit van 29 januari 2016 in stand gelaten.
De rechtbank heeft het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 29 januari 2016 ongegrond verklaard. [verzoeker] is het niet eens met deze uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld. Volgens hem is de bewoning van het betrokken bouwwerk toegestaan, zodat het college ten onrechte een last heeft opgelegd en ten onrechte invorderingsbeschikkingen heeft genomen.
3. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een zodanige voorlopige voorziening te treffen dat hij, totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep, de ingevorderde dwangsommen niet hoeft te betalen. Hij stelt een spoedeisend belang te hebben, omdat een door het college ingeschakelde deurwaarder verdergaande invorderingsmaatregelen heeft aangekondigd. Volgens [verzoeker] is de bevoegdheid van het college tot invordering van de dwangsommen echter inmiddels verjaard, zodat hij niet meer kan worden gedwongen te betalen.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [verzoeker], anders dan het college in het verweerschrift heeft gesteld, een spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. Het enkele feit dat, zoals het college heeft aangevoerd, het aan [verzoeker] de door hem betaalde dwangsommen zal terugbetalen indien [verzoeker] in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, laat immers onverlet dat, zoals [verzoeker] heeft gesteld, het betalen van de dwangsommen voor hem ingrijpende gevolgen kan hebben.
5. Deze procedure leent zich niet voor onderzoek naar de vraag of het standpunt van het college dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsommen niet is verjaard, juist is. Dit dient in de bodemprocedure onderzocht te worden.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek bij afweging van de betrokken belangen moet worden toegewezen. Naar zijn oordeel moet onder de gegeven omstandigheden een groter gewicht worden toegekend aan het belang van [verzoeker] bij schorsing van de invorderingsbeschikkingen, te meer nu niet gebleken is van zodanig zwaarwegende belangen bij het college die vergen dat invordering hangende hoger beroep wordt voortgezet.
6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom van 25 september 2015, kenmerk U15-016424, en 20 oktober 2015, kenmerk U15-017542, totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.