ECLI:NL:RVS:2017:711
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omgevingsvergunning voor kappen van 243 bomen vanwege landschappelijke waarde
Het college van burgemeester en wethouders van Laren weigerde op 27 mei 2011 een omgevingsvergunning voor het kappen van 243 fijnsparren op een perceel te Laren. Na bezwaar en een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die het college opdroeg een nieuw besluit te nemen, handhaafde het college de weigering. De rechtbank verklaarde het beroep daarop later ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Appellant voerde onder meer aan dat het besluit was genomen met vooringenomenheid en dat de fijnsparren geen landschappelijke waarde hadden, maar slechts doorgeschoten kerstbomen waren. Ook stelde hij dat het perceel van oudsher open enggronden betrof, wat een andere bestemming zou rechtvaardigen.
De Raad van State overwoog dat eerdere klachten over vooringenomenheid niet gegrond zijn en dat het college het besluit op bezwaar terecht baseerde op een deskundige notitie van een tuin- en landschapsarchitect. Deze concludeerde dat het perceel onderdeel is van een karakteristiek groen en bomenrijk gebied met hoge landschappelijke waarde, die door het kappen zou worden aangetast.
De door appellant overgelegde tegenrapporten konden het oordeel van het college niet weerleggen. Ook de historische situatie van open enggronden rechtvaardigt geen ander besluit, mede omdat het college het bestemmingsplan met de bestemming "Bos" heeft vastgesteld. De Raad van State bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd.