ECLI:NL:RVS:2017:797

Raad van State

Datum uitspraak
27 maart 2017
Publicatiedatum
28 maart 2017
Zaaknummer
201608615/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over buiten behandeling stellen verlenging verblijfsvergunning

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde bij besluit van 29 februari 2016 de aanvraag van een vreemdeling tot verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd buiten behandeling. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 25 mei 2016 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris.

De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond, vernietigde het besluit van 25 mei 2016, herroept het besluit van 29 februari 2016 en gaf de staatssecretaris de opdracht om de vreemdeling de gelegenheid te bieden het geconstateerde verzuim te herstellen.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de in hoger beroep aangevoerde rechtsvraag reeds was beantwoord in een eerdere uitspraak en dat het hoger beroep kennelijk ongegrond was. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, terwijl tevens griffierecht werd geheven.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.

Uitspraak

201608615/1/V1.
Datum uitspraak: 27 maart 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 21 oktober 2016 in zaak nr. 16/13664 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 29 februari 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling tot het verlengen van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 25 mei 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 mei 2016 vernietigd, het besluit van 29 februari 2016 herroepen en de staatssecretaris opgedragen de vreemdeling de gelegenheid te bieden het geconstateerde verzuim te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.T.G. van Schie, advocaat te Nijmegen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling eerder (bij uitspraak van 27 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:514), beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft en waaraan de grief niet afdoet, vloeit voort dat de grief niet kan leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Borman    w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2017
488-827.