AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling proceskostenvergoeding na afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris heeft op 1 december 2015 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 1 februari 2017 ongegrond verklaarde. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Raad van State constateerde dat de rechtbank ten onrechte een gebrek in de toepassing van de Vreemdelingenwet 2000 had gepasseerd zonder de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De Raad oordeelde dat de staatssecretaris de proceskosten aan de vreemdeling moest vergoeden, omdat het gebrek in de procedure was vastgesteld.
De Raad van State vernietigde daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin de proceskostenveroordeling ontbrak, bevestigde het overige oordeel van de rechtbank, wees het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van € 1.980 aan proceskosten voor de vreemdeling.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van € 1.980 aan proceskosten aan de vreemdeling.
Uitspraak
201701582/1/V2 en 201701582/2/V2.
Datum uitspraak: 31 maart 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 1 februari 2017 in zaak nr. 15/21280 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 1 februari 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers, advocaat te Ulft, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb heeft gepasseerd zonder daarbij de staatssecretaris te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.
1.1. De rechtbank heeft in beroep geconstateerd dat de staatssecretaris ten onrechte artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000 en niet artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 heeft toegepast. De rechtbank heeft aanleiding gezien om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb te passeren, maar heeft afgezien van een proceskostenveroordeling. Nu er een gebrek is geconstateerd, had de rechtbank de staatssecretaris moeten veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten.
De grief slaagt.
2. Hetgeen overigens in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris tot vergoeding van de bij de vreemdeling met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten te veroordelen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.
4. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 1 februari 2017 in zaak nr. 15/21280, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris tot vergoeding van de bij de vreemdeling met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten te veroordelen;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV. wijst het verzoek af;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.