ECLI:NL:RVS:2017:900
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- J.J. van Eck
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing ontheffing inburgeringsplicht
Bij besluit van 23 december 2014 wees het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van appellante om ontheffing van de inburgeringsplicht af. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 1 juni 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 7 januari 2016 eveneens ongegrond, waarbij zij het ne bis-beoordelingskader toepaste omdat een eerdere aanvraag was afgewezen.
Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het ne bis-beoordelingskader had toegepast, omdat het college de aanvraag inhoudelijk had beoordeeld. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtspraak over herhaalde aanvragen was aangepast en dat de rechtbank het besluit van 1 juni 2015 had moeten toetsen aan de beroepsgronden van appellante. Hierdoor werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
In inhoudelijke beoordeling oordeelde de Afdeling dat het college terecht het advies van de GGD Haaglanden van oktober 2014 als grondslag had genomen, ondanks dat de geldigheidsduur was verstreken, omdat appellante geen nieuwe feiten had ingebracht. Verder werd geoordeeld dat appellante onvoldoende inspanningen had geleverd om het inburgeringsexamen te behalen en dat het college de afstemming op haar persoonlijke omstandigheden had gewaarborgd. Het beroep werd uiteindelijk ongegrond verklaard en het college werd gelast het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de ontheffing van de inburgeringsplicht blijft in stand.