ECLI:NL:RVS:2017:922

Raad van State

Datum uitspraak
5 april 2017
Publicatiedatum
5 april 2017
Zaaknummer
201508301/3/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 6:3 AwbArt. 6:19 AwbArtikel 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten milieueffectrapportage mestverwerkingsinstallatie wegens onvoldoende motivering

Mineralen Afzet Coöperatie Elsendorp U.A. (MACE) wil een omgevingsvergunning aanvragen voor een mestbewerkings- en verwerkingsinstallatie met een capaciteit van 500.000 ton ruwe drijfmest per jaar in Landhorst. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant besloot aanvankelijk dat MACE een milieueffectrapport (MER) moest maken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in een tussenuitspraak dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom belangrijke nadelige milieugevolgen zich konden voordoen die een MER vereisten.

Het college werd opgedragen dit gebrek te herstellen en besloot vervolgens dat geen MER nodig was. MACE's beroep tegen de eerdere besluiten werd daarmee geheel ingewilligd, terwijl het beroep van een andere appellant, die zienswijzen had ingebracht, niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het besluit over het MER een voorbereidingsbesluit is waartegen geen bezwaar of beroep mogelijk is.

De Raad van State bevestigde dat de appellant pas tegen het uiteindelijke besluit over de omgevingsvergunning bezwaar kan maken. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan MACE. De besluiten van 29 september 2015 en 22 maart 2016 werden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Uitkomst: De besluiten die een milieueffectrapport vereisten worden vernietigd; het beroep van appellant is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

201508301/3/A1.
Datum uitspraak: 5 april 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.    Mineralen Afzet Coöperatie Elsendorp U.A. (hierna: MACE), gevestigd te Elsendorp, gemeente Gemert-Bakel,
2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats]
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 16 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3057, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 24 januari 2017 besloten dat MACE geen milieueffectrapport hoeft te maken.
[appellant sub 2] heeft een zienswijze naar voren gebracht.
De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    MACE heeft het voornemen om een omgevingsvergunning aan te vragen voor een mestbewerkings- en verwerkingsinstallatie met een capaciteit van 500.000 ton ruwe drijfmest per jaar op de locatie De Quayweg 8 te Landhorst, gemeente Sint Anthonis. Het college heeft bij besluit van 29 september 2015 en opnieuw, met intrekking van het besluit van 29 september 2015, bij besluit van 22 maart 2016 beslist dat MACE een milieueffectrapport moet maken.
In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het college, in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), niet toereikend heeft gemotiveerd waarom zich belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen, die nopen tot het maken van een milieueffectrapport. De Afdeling heeft het college opgedragen dit gebrek te herstellen door alsnog toereikend te motiveren waarom zich belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen, die tot het maken van een milieueffectrapport nopen, dan wel, indien het tot het oordeel komt dat zulke gevolgen zich niet kunnen voordoen, een besluit te nemen, inhoudende dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij het besluit van 24 januari 2017, met intrekking van het besluit van 22 maart 2016, besloten dat MACE geen milieueffectrapport hoeft te maken.
2.    Het besluit van 24 januari 2017 komt geheel tegemoet aan het beroep van MACE tegen de besluiten van 29 september 2015 en 22 maart 2016, zodat haar beroep niet ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede is gericht tegen het besluit van 24 januari 2017.
3.    Aangezien het besluit van 24 januari 2017 niet tegemoet komt aan het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 22 maart 2016 is zijn beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wel mede gericht tegen het besluit van 24 januari 2017. Dat besluit is echter, net als het besluit van 22 maart 2016, een besluit als bedoeld in artikel 6:3 van Pro de Awb, genomen ter voorbereiding van een besluit over verlening van de voor de beoogde mestverwerkingsinstallatie noodzakelijke omgevingsvergunning. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, kan [appellant sub 2] op grond van artikel 6:3 van Pro de Awb geen bezwaar maken of beroep instellen tegen het besluit van 22 maart 2016. Dit is niet anders wat het besluit van 24 januari 2017 betreft. [appellant sub 2] wordt niet, los van het besluit over de omgevingsvergunning, rechtstreeks in zijn belang geraakt door het besluit dat MACE geen milieueffectrapport hoeft te maken. Indien wordt besloten tot verlening van de omgevingsvergunning kan [appellant sub 2] tegen dat besluit beroep instellen en in dat kader tevens gronden aanvoeren tegen het besluit van 24 januari 2017. Gelet hierop bestaat, anders dan [appellant sub 2] in zijn zienswijze stelt, ook geen grond voor het oordeel dat toepassing van artikel 6:3 van Pro de Awb zich niet verdraagt met artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.    Voor zover [appellant sub 2] in zijn zienswijze aanvoert dat de Afdeling dient terug te komen van het in overweging 3.2 van de tussenuitspraak vervatte oordeel, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.
5.    Het beroep van MACE tegen de besluiten van 29 september 2015 en 22 maart 2016 is, gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, gegrond. Die besluiten dienen wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 2] tegen de besluiten van 22 maart 2016 en 24 januari 2017 is niet-ontvankelijk.
6.    Het college dient ten aanzien van MACE op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het beroep van Mineralen Afzet Coöperatie Elsendorp U.A. gegrond;
II.    vernietigt de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 29 september 2015, kenmerk C2177353/3865776, en 22 maart 2016, kenmerk C2181516/3934154 Z/004082/4299/117937;
III.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk;
IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij Mineralen Afzet Coöperatie Elsendorp U.A. in verband met de behandeling van haar beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan Mineralen Afzet Coöperatie Elsendorp U.A. het door haar voor de behandeling van haar beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter,
en mr. W. Sorgdrager en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.
w.g. Wortmann    w.g. Van Grinsven
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2017
462.