ECLI:NL:RVS:2018:1019
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake verblijfsvergunningen vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 21 februari 2017 aanvragen van vier vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar stelde de rechtbank Den Haag op 8 februari 2018 het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij geen uitvoering hoefde te geven aan het vonnis van de rechtbank zolang het hoger beroep loopt. De vreemdelingen verzochten eveneens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep in stand zou blijven en besloot het verzoek van de staatssecretaris toe te wijzen en dat van de vreemdelingen af te wijzen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren zolang het hoger beroep loopt; het verzoek van de vreemdelingen wordt afgewezen.