ECLI:NL:RVS:2018:1229
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing aanvraag verblijfsdocument gemeenschapsonderdaan wegens niet voldoen aan Verblijfsrichtlijn
De staatssecretaris wees op 14 april 2016 de aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af. De vreemdeling, met de Marokkaanse nationaliteit, stelde recht te hebben op verblijf bij haar Nederlandse echtgenoot, de referent, op grond van het Unierecht. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank had miskend dat de aanvraag niet alleen was afgewezen omdat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat zij en haar echtgenoot langer dan drie maanden in Duitsland hadden verbleven en een gezinsleven hadden opgebouwd, maar ook omdat niet was aangetoond dat de referent gedurende zijn verblijf in Duitsland voldeed aan de voorwaarden van artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn.
De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris terecht had geweigerd het verblijfsdocument af te geven omdat de vreemdeling niet had aangetoond dat aan deze voorwaarden was voldaan. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de aanvraag blijft in stand.