ECLI:NL:RVS:2018:1343
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C. Kranenburg
- J. Kramer
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning voor bouw bedrijfswoning en logiesgebouwen
Het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw verleende op 5 mei 2014 een omgevingsvergunning aan appellant sub 2 voor het bouwen van een bedrijfswoning, logiesgebouwen en een bed & breakfast op een locatie te Ohé en Laak. Appellant sub 3, eigenaar van aangrenzende gronden, maakte bezwaar tegen deze vergunningen en stelde beroep in bij de rechtbank Limburg. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 7 april 2015 ongegrond, maar vernietigde het besluit van 29 juli 2015 betreffende een gewijzigde omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de werktuigenloods, omdat het college dit deel ten onrechte als omgevingsvergunningvrij had aangemerkt.
In hoger beroep betoogde appellant sub 3 onder meer dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, waarbij de planregels en de verbeelding bepalend zijn. Ook werd geoordeeld dat het college terecht aan het positieve welstandsadvies van de welstandscommissie uit 2015 vasthield, dat het bouwplan als geheel had beoordeeld en dat de bezwaren van appellant sub 3 onvoldoende concreet waren.
Het college en appellant sub 2 stelden dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 29 juli 2015 had vernietigd, omdat het college het als omgevingsvergunningvrij aangeduide deel van de werktuigenloods buiten de beoordeling had gelaten en geen oordeel daarover had gegeven. De Afdeling bevestigde dat het bouwplan als één geheel moet worden beoordeeld en dat het college ten onrechte het vergunningvrije deel niet had betrokken. Desondanks bleef het besluit van 29 juli 2015 in stand, omdat het vergunningvrije deel reeds was gebouwd en het college handhavend had opgetreden. De Afdeling veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan appellant sub 2.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant sub 3 wordt ongegrond verklaard, het hoger beroep van het college en appellant sub 2 gegrond, en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 29 juli 2015 blijven in stand.