ECLI:NL:RVS:2018:144
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Nederlands paspoort wegens nationaliteitsvraag Surinaamse nationaliteit
Appellant verzocht om een Nederlands paspoort, maar de minister weigerde dit omdat appellant en zijn moeder volgens de Toescheidingsovereenkomst (TOS) de Surinaamse nationaliteit hebben verkregen. De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij op 25 november 1975 in Nederland woonde en dat de minister terecht waarde hechtte aan een eerdere uitspraak en verklaringen dat zijn moeder in Suriname verbleef.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte de inschrijving in de Nederlandse bevolkingsadministratie als uitgangspunt nam en dat verklaringen van familieleden en het Centraal Bureau voor Burgerzaken onvoldoende werden meegewogen. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij op de relevante datum in Nederland woonde en dat de minister terecht uitging van het bezit van de Surinaamse nationaliteit.
Verder oordeelde de Afdeling dat appellant te laat bezwaar maakte tegen het niet horen worden door de minister, waardoor dit niet inhoudelijk werd beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de minister om appellant een Nederlands paspoort te verstrekken wegens het bezit van de Surinaamse nationaliteit.