ECLI:NL:RVS:2018:1480
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens gebrek aan medische noodzaak en woningmarktdruk
Bij besluit van 14 juni 2016 wees het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van appellant om een urgentieverklaring af wegens het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem. Appellant, die samen met haar twee kinderen bij haar ouders woont, stelde psychische en fysieke klachten te hebben die een verhuizing noodzakelijk maken. Ook voerde zij aan dat de krappe woonsituatie schadelijk is voor de ontwikkeling van haar kinderen.
Het college baseerde de afwijzing op twee weigeringsgronden en vroeg advies aan een GGD-arts, die concludeerde dat medische voorrang niet verantwoord was. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college terecht geen hardheidsclausule toepaste. De rechtbank vond het GGD-advies goed onderbouwd en zag geen verband tussen de klachten en de woonsituatie.
In hoger beroep betoogde appellant dat de woonsituatie psychosociale en medische problemen veroorzaakt en dat het besluit in strijd is met het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). De Raad van State oordeelt dat het college het beperkte woningaanbod en de belangen van andere woningzoekenden terecht heeft meegewogen. De sociale gevolgen van de inwoning zijn onvoldoende schrijnend om de hardheidsclausule toe te passen. Het college heeft de belangen van de kinderen voldoende betrokken, en het IVRK is niet geschonden.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens het ontbreken van een medische noodzaak en de woningmarktdruk.