ECLI:NL:RVS:2018:1486
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf in hoger beroep vreemdelingenrecht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 30 augustus 2016 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de staatssecretaris, stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond is en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen nieuwe vragen gesteld die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Raad van State veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en legde tevens een griffierecht op aan de staatssecretaris. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2018.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond.