ECLI:NL:RVS:2018:1543
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing herziening recht op kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014
Appellante verzocht de Belastingdienst/Toeslagen om herziening van haar recht op kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014, maar dit verzoek werd deels afgewezen. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, waarbij werd geoordeeld dat appellante niet had aangetoond dat alle kosten waren voldaan en dat de kinderen in een deel van de periode geen opvang hadden genoten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht had vastgesteld dat over de periode 1 augustus 2013 tot en met 31 maart 2014 geen recht op toeslag bestond, omdat de kinderen niet waren opgevangen en een deel van de kosten was teruggestort. Ook werd bevestigd dat de kosten over november en december 2014 te laat waren betaald volgens de Belastingdienst.
Echter, de Afdeling stelde vast dat appellante wel had aangetoond dat zij de kosten voor november en december 2014 volledig had voldaan via een betalingsregeling die kort na de opvangperiode was gestart en zonder onderbreking werd nagekomen. Daarom was de afwijzing van dat deel van het verzoek onterecht. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor dit onderdeel en de Belastingdienst/Toeslagen werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Verder werd appellante proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen over november-december 2014 vernietigd met opdracht tot nieuwe beslissing.