ECLI:NL:RVS:2018:1574
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking remigratievoorzieningen en terugvordering door Sociale Verzekeringsbank
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank om de toegekende remigratievoorzieningen in te trekken en een bedrag van €5.420,00 terug te vorderen. De voorzieningen waren toegekend met de voorwaarde dat appellant uiterlijk op 21 april 2015 Nederland zou verlaten, met een later uitstel tot 21 oktober 2015.
Appellant had zijn vertrek niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd, mede omdat hij zijn kinderen het schooljaar wilde laten afmaken, schulden wilde regelen en een rechtszaak wilde afhandelen. Hij betoogde dat hij zijn aanvraag niet had willen intrekken en dat hij onjuist was geïnformeerd door een medewerker van de Sociale Verzekeringsbank. De rechtbank oordeelde dat appellant het verwijt treft niet tijdig te zijn vertrokken en dat zijn omstandigheden onvoldoende waren toegelicht om dit te rechtvaardigen.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en wijst het beroep af. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt eveneens, mede omdat appellant onvoldoende heeft onderbouwd waarom de gewijzigde leeftijdseis voor een nieuwe aanvraag een reden zou zijn om het besluit aan te tasten. De Afdeling ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van remigratievoorzieningen en de terugvordering van €5.420,00.