ECLI:NL:RVS:2018:1758
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen plaatsing ondergrondse restafvalcontainers in Loosduinen
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag stelde op 25 april 2017 het definitieve plaatsingsplan vast voor ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s) in wijk 86, Houtwijk-West, waaronder een locatie nabij de woning van appellante. Appellante stelde beroep in tegen dit besluit, stellende dat het plan onzorgvuldig was voorbereid, haar zienswijze niet was beantwoord, de locatie onredelijk was gekozen vanwege uitzichtverlies, overlast en waardevermindering van haar woning.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college abusievelijk niet op de zienswijze van appellante in de Nota van Antwoord had gereageerd, maar dat dit gebrek niet tot benadeling leidde omdat het college alsnog inhoudelijk op de zienswijze was ingegaan en appellante daarop kon reageren. De Afdeling verwierp verder het betoog over uitzichtverlies, overlast en waardevermindering, aangezien de ORAC’s grotendeels ondergronds staan, de locatie vergelijkbaar was met eerdere parkeerplaatsen, en appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de woningwaarde zou dalen.
Ook wees de Afdeling het alternatief voor plaatsing aan de Burgemeester van der Veldestraat af vanwege ondergrondse infrastructuur en grotere loopafstand voor bewoners. Ten slotte bevestigde de Afdeling dat het beroep de werking van het besluit niet schorst, zodat het college niet hoefde te wachten met plaatsing. Het beroep werd ongegrond verklaard en appellante kreeg vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het plaatsingsplan voor ondergrondse restafvalcontainers wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt vergoed.