ECLI:NL:RVS:2018:1818
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bewonersparkeervergunning wegens beschikbaarheid stallingsplaats
Appellant huurt een woning in Amsterdam en kreeg een bewonersparkeervergunning die het college per 1 mei 2016 introk omdat hij kon beschikken over een stallingsplaats in een parkeergarage in een naastgelegen woonblok. Appellant stelde dat deze garage op circa 200 meter afstand ligt, moeilijk toegankelijk is en financieel niet haalbaar om te huren. Hij voerde ook aan dat het college het parkeerbeleid onjuist en inconsequent toepast, wat in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat het begrip 'kan beschikken' ruim moet worden uitgelegd en dat de afstand van 200 meter de beschikbaarheid van een stallingsplaats niet uitsluit. Ook de civielrechtelijke problemen met de toegang tot de garage en de hogere kosten van de huur van de stallingsplaats zijn niet relevant voor het bestuursrechtelijke oordeel. Het college heeft volgens de rechtbank het parkeerbeleid correct toegepast en er is geen sprake van ongelijke behandeling binnen de wijk.
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De intrekking van de bewonersparkeervergunning blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van de bewonersparkeervergunning blijft in stand.