ECLI:NL:RVS:2018:1857
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B.P. Vermeulen
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergunningverlening staand want visserij in Europoortgebied en Maasmonding
Bij besluiten van 16 december 2015 verleende de minister vergunningen aan belanghebbenden A en B om met maximaal 2.500 meter staand want te vissen in aangewezen kustwateren van 2016 tot en met 2018. De Vereniging Sportvisserij Zuidwest-Nederland maakte bezwaar tegen deze vergunningen vanwege mogelijke nadelige effecten op sportvisserij en visstand, met name de zeebaars en beschermde trekvissoorten.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vereniging ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de minister een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt, de visstand niet onaanvaardbaar zou worden aangetast en dat de vergunningverlening niet in strijd was met het Beleidsbesluit vaste vistuigen of de Flora- en faunawet. De vereniging stelde in hoger beroep dat de rechtbank niet op alle beroepsgronden was ingegaan en dat het Beleidsbesluit onvoldoende was betrokken.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht de vergunningverlening heeft bevestigd. De minister heeft voldoende onderzoek gedaan en passende maatregelen genomen, zoals een maximale aanvoer van zeebaars per vaartuig. De vermeende nadelige gevolgen voor beschermde trekvissoorten zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook is de belangenafweging niet onzorgvuldig of onredelijk, mede gezien de beperkte visserij-intensiteit en de ruimte die voor sportvissers beschikbaar blijft.
Het incidenteel hoger beroep van belanghebbenden A en B vervalt omdat het hoger beroep van de vereniging ongegrond is verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vergunningverlening voor staand want visserij en verklaart het hoger beroep van de vereniging ongegrond.