ECLI:NL:RVS:2018:188

Raad van State

Datum uitspraak
31 januari 2018
Publicatiedatum
22 januari 2018
Zaaknummer
201700721/1/A1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over niet-ontvankelijkheid bezwaar omgevingsvergunning

RetailPlan B.V. had een verzoek ingediend voor het gebruik van gronden aan de Dertien Aprilstraat 46 te Oosterwolde, waarbij om een omgevingsvergunning werd gevraagd voor afwijking van het bestemmingsplan. Het college liet dit verzoek buiten behandeling en verklaarde het bezwaar van RetailPlan tegen deze beslissing ongegrond. De rechtbank bevestigde deze beslissing.

In hoger beroep stelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vast dat de brief van 3 augustus 2015, waarin RetailPlan haar plan presenteerde, niet als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kon worden aangemerkt. Hierdoor was het besluit van het college om het verzoek buiten behandeling te laten geen besluit in de zin van de wet, en had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

De rechtbank had dit niet onderkend, waardoor de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaarde, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college vernietigde, en het bezwaar van RetailPlan niet-ontvankelijk verklaarde. Tevens werd het betaalde griffierecht aan RetailPlan vergoed.

Er werden geen proceskosten toegewezen. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.

Uitspraak

201700721/1/A1.
Datum uitspraak: 31 januari 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RetailPlan B.V., gevestigd te Drachten, gemeente Smallingerland,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 december 2016 in zaak nr. 16/1037 in het geding tussen:
Retailplan
en
het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.
Procesverloop
Bij brief van 30 september 2015 is namens het college aan Retailplan medegedeeld dat een ingediende verzoek voor gebruik van de gronden aan de Dertien Aprilstraat 46 te Oosterwolde (hierna: het perceel) buiten behandeling wordt gelaten.
Bij beslissing van 20 januari 2016 heeft het college het door Retailplan daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 december 2016 heeft de rechtbank het door Retailplan daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft Retailplan hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met de zaken nrs. 201700720/1/A1 en 201700722/1/A1, ter zitting behandeld op 23 november 2017, waar RetailPlan, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.S. Boersma, zijn verschenen.
Buiten bezwaren van partijen hebben Retailplan en het college nadere stukken toegezonden.
Overwegingen
1.    Bij brief van 3 augustus 2015 heeft Retailplan bij het college aandacht gevraagd voor een plan tot herontwikkeling van het perceel Dertien Aprilstraat 46 te Oosterwolde. Dit plan betreft herbouw van de inmiddels grotendeels gesloopte bebouwing ter plaatse van de fundering met een oppervlakte van 4.500 m² voor detailhandel met horecafunctie. In deze brief heeft Retailplan verzocht om medewerking door middel van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan.
Bij brief van 26 augustus 2015 is Retailplan van gemeentewege verzocht om voor 24 september 2015 aanvullende gegevens in te dienen. Bij brief van 3 september 2015 heeft Retailplan bericht dat aanvullende gegevens worden gevraagd, die volgens haar niet nodig zijn. Bij brief van 4 september 2015 is hierop door het college gereageerd. Op 7 september 2015 heeft een gesprek met wethouder De Boer plaatsgevonden. In een e-mailbericht van 8 september heeft Retailplan een door haar gemaakt kort verslag daarvan verzonden. Hierop is bij e-mailbericht van 10 september 2015 gereageerd. Retailplan heeft vervolgens twee stukken overgelegd.
Bij brief van 30 september 2015 is namens het college de als zodanig aangemerkte aanvraag buiten behandeling gelaten.
2.    Artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:
"1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
[…]"
2.1.1.    Bij uitspraak van heden, 201700722/1/A1, heeft de Afdeling geoordeeld dat de brief van 3 augustus 2015 niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. Uit het bepaalde in artikel 1:3, tweede lid, laatste zinsnede, van de Awb volgt dat nu de brief van 3 augustus 2015 geen aanvraag in de zin van het derde lid van dat artikel is, de reactie daarop van 30 september 2015 namens het college geen besluit in de zin van het eerste lid van dat artikel is. Het college had het tegen die reactie gemaakte bezwaar dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren, omdat dat rechtsmiddel gelet op artikel 7:1, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 8:1 van Pro die wet hier niet openstond. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
3.    Hetgeen Retailplan heeft aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.
4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 20 januari 2016 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.
Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van het college op het bezwaarschrift van Retailplan slechts kan strekken tot het niet-ontvankelijk verklaren van dit bezwaar. De Afdeling zal daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 december 2016 in zaak nr. 16/1037;
III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf van 20 januari 2016, kenmerk Z-15-21398;
V.    verklaart het bezwaarschrift van RetailPlan B.V. tegen de brief van 30 september 2015 niet-ontvankelijk;
VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RetailPlan B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 837,00 (zegge: achthonderdzevenendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.
w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Soede
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018
270.