ECLI:NL:RVS:2018:1902

Raad van State

Datum uitspraak
6 juni 2018
Publicatiedatum
7 juni 2018
Zaaknummer
201804078/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:83 lid 3 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting en verstrekking opvang aan vreemdeling

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 10 april 2018 werd afgewezen. Tevens werd geweigerd haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 8 mei 2018 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen werd hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegelijkertijd verzocht de vreemdeling om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen en opvang en verstrekkingen te ontvangen gedurende de beroepsprocedure.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek tot voorlopige voorziening toewijsbaar was, mede gelet op eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2016:3350). De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 501,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vreemdeling wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist.

Uitkomst: De vreemdeling wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201804078/2/V2.
Datum uitspraak: 6 juni 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 8 mei 2018 in zaak nr. NL18.7196 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en geweigerd haar krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 uitstel van vertrek te verlenen.
Bij uitspraak van 8 mei 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij niet wordt uitgezet, voordat op het hoger beroep is beslist en dat haar gedurende die periode opvang en verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden.
2.    Gelet op wat is aangevoerd komt het verzoek, in het licht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3350, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.
3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Van der Wiel    w.g. Bossmann
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2018
314.