ECLI:NL:RVS:2018:2032
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking urgentieverklaring na weigering passend woningaanbod
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland die het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere bevestigde om de urgentieverklaring van appellant in te trekken. De urgentieverklaring was verleend om versneld een woning te verkrijgen, maar werd ingetrokken nadat appellant een woningaanbod had geweigerd dat volgens het college voldeed aan het zoekprofiel.
Appellant stelde dat de woning onbewoonbaar was door schimmel en vocht, en dat het college geen bewijs had geleverd van een aanbod tot herstel. Tevens voerde appellant aan dat de intrekking met terugwerkende kracht in strijd was met het vertrouwensbeginsel en de rechtszekerheid.
De Raad van State oordeelde dat het college terecht mocht aannemen dat het woningaanbod voldeed aan het zoekprofiel, mede omdat het een woning met drie kamers betrof en de huurprijs, oppervlakte en locatie bekend waren. Het college had aannemelijk gemaakt dat de woning leefbaar zou worden opgeleverd, inclusief het verwijderen van schimmel. Appellant had in eerdere bezwaarschriften erkend dat een herstelaanbod was gedaan, hoewel vaag.
De Raad van State bevestigde dat de intrekking van de urgentieverklaring met ingang van de datum van weigering gerechtvaardigd was en dat er geen schending was van het vertrouwensbeginsel of de rechtszekerheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de urgentieverklaring na weigering van een passend woningaanbod wordt bevestigd.