ECLI:NL:RVS:2018:2060
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit dwangsommen wegens milieutoezicht bij storing afvalverbrandingsinstallatie
Het college legde op 2 februari 2016 vijf lasten onder dwangsom op aan ReststoffenEnergieCentrale B.V. (Omrin) vanwege overtredingen van milieuwetgeving tijdens een storing op 1 en 2 oktober 2015 bij de afvalverbrandingsinstallatie in Harlingen. De omwonenden, waaronder appellant, maakten bezwaar tegen dit besluit en stelden dat ook andere overtredingen, zoals de overschrijding van de jaargemiddelde emissie van dioxine, handhavend moesten worden aangepakt.
Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het handhavingsverzoek tegen de andere overtredingen af bij een afzonderlijk besluit. De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond. Het hoger beroep bij de Raad van State richtte zich op de stelling dat het besluit van 2 februari 2016 onvolledig was omdat het niet alle overtredingen omvatte.
De Raad van State oordeelde dat het college terecht alleen dwangsommen oplegde voor de overtredingen die in het besluit waren vastgesteld en dat de omwonenden voor andere overtredingen een apart handhavingsverzoek moesten indienen. De wettelijke regeling van de Awb betreffende de samenloop van bezwaarprocedures verplicht het bestuursorgaan niet om in het besluit op bezwaar over niet-betrokken aspecten te beslissen. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.