ECLI:NL:RVS:2018:2077
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen afwijzing visum kort verblijf
De vreemdeling, van Marokkaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf om bij zijn echtgenote, die de Spaanse nationaliteit bezit, te verblijven. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag bij besluit van 8 december 2016 af. Het bezwaar van de vreemdeling werd eveneens ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit bij uitspraak van 19 maart 2018.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling stelde vast dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, in samenhang met artikel 8:104 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken van de rechtbank over visumaanvragen voor een verblijf van 90 dagen of minder.
Daarmee is de Afdeling bestuursrechtspraak kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Het feit dat de rechtbank ten onrechte vermeldde dat hoger beroep mogelijk is, leidt niet tot het ontstaan van bevoegdheid. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De Afdeling verklaart zich daarom onbevoegd het hoger beroep te behandelen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag voor kort verblijf.