ECLI:NL:RVS:2018:2096

Raad van State

Datum uitspraak
22 juni 2018
Publicatiedatum
26 juni 2018
Zaaknummer
201805178/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening in hoger beroep tegen opheffing vreemdelingenbewaring

Bij besluit van 6 juni 2018 is een vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht. Op 22 juni 2018 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de bewaring opgeheven met ingang van die dag en de vreemdeling een schadevergoeding toegekend.

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens heeft de staatssecretaris verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat de uitspraak van de rechtbank direct uitgevoerd wordt.

De voorzieningenrechter heeft op 22 juni 2018 mondeling beslist bij wijze van ordemaatregel dat de staatssecretaris aan de uitspraak van de rechtbank geen gevolg hoeft te geven totdat op 25 juni 2018 een beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening wordt genomen. Hiermee wordt de uitvoering van de opheffing van de bewaring tijdelijk opgeschort in afwachting van de verdere behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: De voorzieningenrechter heeft bij ordemaatregel bepaald dat de staatssecretaris de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat op 25 juni 2018 een beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening is genomen.

Uitspraak

201805178/2/V3.
Datum uitspraak: 22 juni 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 22 juni 2018 in zaak nr. NL18.10774 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Bij besluit van 6 juni 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 22 juni 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij mondelinge uitspraak van 22 juni 2018 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel bepaald dat de staatssecretaris aan de uitspraak van de rechtbank van 22 juni 2018 geen gevolg hoeft te geven, totdat de voorzieningenrechter op 25 juni 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen heeft beslist.
w.g. Van Eck    w.g. Van de Kolkvoorzieningenrechter
griffier    347.