ECLI:NL:RVS:2018:2166
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 2 maart 2017 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 23 november 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 22 mei 2018 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij geen uitvoering hoefde te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat het hoger beroep was beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep in stand zou blijven, maar zag geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd als kennelijk ongegrond afgewezen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit €501,00 aan rechtsbijstandskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.