ECLI:NL:RVS:2018:2174
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gegrondheid hoger beroep tegen afwijzing asielaanvraag en inreisverbod
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 juni 2017 de asielaanvraag van de vreemdeling af, legde hem een vertrekopdracht op en vaardigde een inreisverbod uit. De rechtbank Den Haag stelde de staatssecretaris in een tussenuitspraak in de gelegenheid het besluit nader te motiveren en verklaarde later het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moet worden genomen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het paspoort van de vreemdeling slechts de nationaliteit en identiteit bevestigt, maar niet zijn herkomst uit de Democratische Republiek Congo aannemelijk maakt. Ook de getuigenverklaringen en UNHCR-documenten boden onvoldoende bewijs voor de herkomst. De rechtbank had ten onrechte een onderzoeksplicht aan de staatssecretaris opgelegd.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraken van de rechtbank en toetste het besluit van 30 juni 2017 opnieuw. Gezien het ontbreken van gegronde beroepsgronden tegen het inreisverbod en de afwijzing van de asielaanvraag, verklaarde de Afdeling het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van afwijzing van de asielaanvraag en het inreisverbod blijft in stand.