ECLI:NL:RVS:2018:2187
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning met voorschrift huisvesting seizoenarbeiders in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur verleende op 15 april 2016 een omgevingsvergunning aan appellante voor de bouw van een gebouw ten behoeve van de huisvesting van 54 seizoenarbeiders op een perceel met de bestemming 'Agrarisch' en functieaanduiding 'glastuinbouw'. Dit gebruik was strijdig met het bestemmingsplan, maar het college maakte gebruik van een afwijkingsmogelijkheid en verbond voorschrift B1 aan de vergunning, dat de huisvesting beperkte tot werknemers die op hetzelfde perceel werkzaam zijn.
Na bezwaar van een omwonende werd voorschrift B1 aangevuld met een zin die expliciet stelde dat de huisvesting alleen op het perceel plaatsvindt waar de seizoenarbeiders ook hun werkzaamheden verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beperking ongegrond. Appellante stelde dat deze beperking onredelijk was en dat zij seizoenarbeiders op verschillende bedrijfslocaties moest kunnen inzetten voor een efficiënte bedrijfsvoering.
De Raad van State oordeelde dat het college in redelijkheid het voorschrift had kunnen verbinden om hinder voor de omgeving te voorkomen, mede gelet op de piekbelastingen in de teelten en het belang van omwonenden. Het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat appellante geen concrete vergelijkbare gevallen had aangevoerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van appellante ongegrond.