AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling korpschef tot vergoeding proceskosten bij verzoek om herziening
De zaak betreft een verzoek om herziening dat door de korpschef van politie was ingediend en door de rechtbank Amsterdam op 29 juni 2017 was afgewezen. Tegen deze uitspraak stelde de korpschef hoger beroep in, dat later werd ingetrokken. Appellant stelde incidenteel hoger beroep in met het betoog dat de rechtbank ten onrechte had nagelaten de korpschef te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die appellant had gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om herziening.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde vast dat artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, gelet op artikel 8:119, tweede lid, ook van toepassing is op verzoeken om herziening. De rechtbank had daarom een proceskostenveroordeling moeten uitspreken. Het incidenteel hoger beroep van appellant werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze geen proceskostenveroordeling bevatte.
De Afdeling veroordeelde vervolgens de korpschef tot vergoeding van de proceskosten die appellant had gemaakt, een bedrag van € 1.252,50, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hiermee werd het recht van appellant op vergoeding van kosten in verband met de procedure hersteld.
Uitkomst: De korpschef wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.252,50 aan appellant.
Uitspraak
201705573/1/A3.
Datum uitspraak: 4 juli 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2017 in zaak nr. 16/4382 op het verzoek om herziening van:
de korpschef van politie.
Procesverloop
Bij uitspraak van 29 juni 2017 heeft de rechtbank een door de korpschef ingediend verzoek om herziening van de uitspraak van de rechtbank van 22 januari 2016 in zaak nr. 14/8473 afgewezen. De uitspraak van 29 juni 2017 is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de korpschef hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft het door hem ingestelde hoger beroep ingetrokken.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 25 juni 2018 aan de orde gesteld.
Overwegingen
1. Bij brief van 1 juni 2018 heeft de korpschef de Afdeling te kennen gegeven dat hij het door hem ingestelde hoger beroep intrekt. [appellant] heeft het door hem ingestelde incidenteel hoger beroep gehandhaafd.
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de korpschef te veroordelen tot vergoeding van bij hem in verband met de behandeling van het verzoek om herziening opgekomen proceskosten. [appellant] voert daartoe aan zijn rechtshulpverlener een schriftelijke uiteenzetting heeft ingediend en hem ter zitting bij de rechtbank heeft vertegenwoordigd.
3. Artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht is, gezien artikel 8:119, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op een verzoek om herziening. De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Het betoog slaagt.
4. Het incidenteel hoger beroep van [appellant] is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de korpschef veroordelen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om herziening opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
5. De korpschef dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant] gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2017 in zaak nr. 16/4382, voor zover de rechtbank daarbij geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken;
III. veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om herziening en het incidenteel hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.252,50 (zegge: twaalfhonderdtweeënvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.