ECLI:NL:RVS:2018:228
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing proceskostenvergoeding na intrekking beroep kinderopvangtoeslag
De Belastingdienst/Toeslagen stelde bij besluit van 10 juni 2016 de kinderopvangtoeslag van appellant voor 2013 definitief vast. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 23 september 2016 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Overijssel. Vervolgens herzag de Belastingdienst het bezwaar en kwam tegemoet aan het bezwaar, waarna appellant het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank wees het verzoek tot proceskostenvergoeding af, waarop appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Appellant voerde aan dat hij recht had op proceskostenvergoeding omdat hij bijstand had gehad van een beroepsmatig rechtsbijstandverlener die het beroepschrift had opgesteld, ook al was het beroepschrift op eigen naam ingediend.
De Afdeling oordeelde dat voor toekenning van proceskostenvergoeding vereist is dat de beroepsmatig verleende rechtsbijstand ook daadwerkelijk proceshandelingen heeft verricht, zoals het indienen van het beroepschrift. Omdat het beroepschrift door appellant zelf was ingediend en de rechtsbijstandverlener niet als gemachtigde optrad, was er geen grond voor proceskostenvergoeding. Ook het verzoek om af te wijken van artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding bevestigd.