ECLI:NL:RVS:2018:2394
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-ontvankelijkheid asielaanvragen wegens onvoldoende authenticiteit vonnis
De vreemdelingen hadden bij hun derde asielaanvragen een Iraaks vonnis overgelegd als nieuw element ter onderbouwing van hun verzoek. De staatssecretaris stelde dat de authenticiteit van dit vonnis niet was aangetoond, mede op basis van een verklaring van Bureau Documenten. De rechtbank oordeelde echter dat de staatssecretaris zich niet zonder nadere motivering op dit standpunt kon stellen, omdat het deskundigenrapport geen aanknopingspunten gaf om de authenticiteit te betwijfelen.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat het aan de vreemdelingen was om de authenticiteit van het vonnis aan te tonen, zeker omdat het om opvolgende aanvragen ging. Het deskundigenrapport gaf geen oordeel over authenticiteit en de vreemdelingen hadden dit niet anderszins bewezen. De Raad van State oordeelde dat het vonnis geen nieuw element of bevinding vormt, omdat de authenticiteit niet vaststaat en het asielrelaas eerder al ongeloofwaardig was bevonden.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee werd bevestigd dat bij opvolgende asielaanvragen de bewijslast voor authenticiteit bij de vreemdeling ligt en dat een onvoldoende onderbouwd document niet als nieuw element kan worden beschouwd.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van hun asielaanvragen gehandhaafd.