ECLI:NL:RVS:2018:2466
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen beschermenswaardig gezinsleven bij afwijzing machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 september 2016 de aanvragen van drie vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit. De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdelingen, geboren in Ghana en woonachtig bij hun tante, wilden in Nederland verblijven bij hun biologische vader, die de Nederlandse nationaliteit heeft. De rechtbank had geoordeeld dat het beleid van de staatssecretaris, zoals neergelegd in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, in strijd was met de Gezinsherenigingsrichtlijn. De staatssecretaris betwistte dit en stelde dat er geen beschermenswaardig gezinsleven bestond omdat de vader onvoldoende invulling gaf aan de relatie.
De Afdeling oordeelde dat het beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000 in overeenstemming is met de richtlijn en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De biologische verwantschap alleen is onvoldoende; er moet sprake zijn van een daadwerkelijk gezinsleven. De staatssecretaris had terecht vastgesteld dat de vader weinig contact had met de vreemdelingen, hen slechts kort bezocht, geen langdurige verzorging bood en dat de vreemdelingen onvoldoende objectief bewijs leverden van contact. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing van hun machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.