ECLI:NL:RVS:2018:2539
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid aanvraag verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris heeft op 22 maart 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 19 april 2018 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Tijdens het hoger beroep bracht de vreemdeling nieuwe stukken in, maar deze werden niet toegelaten omdat ze dateren van vóór de uitspraak van de rechtbank en geen verklaring werd gegeven waarom ze niet eerder waren overgelegd. De Raad van State oordeelde dat de aangevallen uitspraak dwingend als object van hoger beroep is aangewezen en dat het hoger beroep kennelijk ongegrond is.
De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd uitgesproken op 30 juli 2018 door voorzieningenrechter G. van der Wiel.
Uitkomst: Het hoger beroep is kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.