ECLI:NL:RVS:2018:254
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken belanghebbendheid bij omgevingsvergunning Reststoffencentrum Eibergen
Het college van gedeputeerde staten van Gelderland verleende op 13 mei 2014 een omgevingsvergunning aan appellante sub 2 voor de inrichting 'Reststoffencentrum Eibergen'. Appellant sub 1 stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Gelderland. Na een tussenuitspraak en een aanvulling op het besluit vernietigde de rechtbank op 8 november 2016 de vergunningen. Zowel appellant sub 1, appellante sub 2 als het college stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat appellant sub 1 geen belanghebbende is bij het besluit tot vergunningverlening, omdat de milieugevolgen en ruimtelijke uitstraling van de inrichting voor appellant sub 1 dermate gering zijn dat er geen persoonlijk belang bij het besluit bestaat. De Afdeling verwees naar vaste jurisprudentie en stelde dat de afstand tot de inrichting, het beperkte zicht en de geringe milieueffecten onvoldoende zijn voor belanghebbendheid.
Verder verwierp de Afdeling het betoog van het college dat de veroordeling tot vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn onredelijk was. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van appellant sub 1 ongegrond, vernietigde de uitspraken van de rechtbank behoudens de vergoeding wegens termijnoverschrijding, en bevestigde deze vergoeding. Het college werd veroordeeld tot proceskostenvergoeding aan appellante sub 2, terwijl voor appellant sub 1 geen proceskostenveroordeling werd uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van appellant sub 1 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belanghebbendheid bij de omgevingsvergunning.