ECLI:NL:RVS:2018:2678
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Intrekking Nederlanderschap wegens niet voldoen aan afstandsverplichting oorspronkelijke nationaliteit
De staatssecretaris trok het Nederlanderschap van appellant sub 2 in omdat zij niet al het mogelijke zou hebben gedaan om haar oorspronkelijke Russische nationaliteit te verliezen. De rechtbank stelde echter vast dat de staatssecretaris dit niet deugdelijk had gemotiveerd en vernietigde het besluit. De staatssecretaris stelde hoger beroep in, waarbij de Raad van State oordeelde dat appellant sub 2 niet voldoende voortvarend was geweest in het afstand doen van haar Russische nationaliteit, mede gelet op het ruime tijdsverloop sinds haar bereidverklaring in 2012.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de staatssecretaris de bevoegdheid had om het Nederlanderschap in te trekken en dat het besluit van 26 januari 2017 voldoende was gemotiveerd. Het incidenteel hoger beroep van appellant sub 2 werd ongegrond verklaard. Tevens werd geoordeeld dat de staatssecretaris bij intrekking van het Nederlanderschap rekening moet houden met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, ook als er geen sprake is van fraude of bedrog.
De staatssecretaris had onvoldoende meegewogen dat de intrekking ook gevolgen had voor het verblijf en het Nederlanderschap van de minderjarige zoon van appellant sub 2. Daarom werd het besluit vernietigd en werd de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat niet vaststond dat de intrekking onrechtmatig was.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt vernietigd en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.