ECLI:NL:RVS:2018:270

Raad van State

Datum uitspraak
26 januari 2018
Publicatiedatum
29 januari 2018
Zaaknummer
201708292/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • H.G. Lubberdink
  • A.B.M. Hent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:36c AwbArt. 8:36g AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over vreemdelingenbewaring en ontvankelijkheid hoger beroep

Bij besluit van 29 augustus 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat het hogerberoepschrift tijdig was ingediend, omdat de termijn pas begon te lopen op het moment dat de vreemdeling de elektronische kennisgeving van de uitspraak ontving, namelijk op 10 oktober 2017. Dit maakte het hoger beroep ontvankelijk.

Inhoudelijk leidde het aangevoerde hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen nieuwe vragen opgeworpen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het hoger beroep is ontvankelijk maar kennelijk ongegrond, de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

201708292/1/V3.
Datum uitspraak: 26 januari 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling]
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 oktober 2017 in zaak nr. NL17.8702 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 29 augustus 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 3 oktober 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Roelofsen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling zich nader uitgelaten.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2.    Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
2.1.    De aangevallen uitspraak vermeldt dat een afschrift daarvan aan partijen is verzonden op 3 oktober 2017. Het hogerberoepschrift is op 17 oktober 2017 bij faxbericht verzonden en bij de Raad van State ingekomen. Desgevraagd heeft de vreemdeling te kennen gegeven dat de aangevallen uitspraak weliswaar vermeldt dat een afschrift hiervan op 3 oktober 2017 is verzonden, doch dat per post geen uitspraak is ontvangen. Voorts betoogt de vreemdeling dat de uitspraak eerst op 10 oktober 2017 in Mijn Rechtspraak is geplaatst. Hiertoe heeft de vreemdeling een afschrift van de door de rechtbank per e-mail verzonden notificatie overgelegd.
2.2.    Nu de griffier de uitspraak ingevolge artikel 8:36g van de Awb langs elektronische weg moet verzenden, is niet van belang of de vreemdeling de aangevallen uitspraak per post heeft ontvangen.
Uit de door de vreemdeling overgelegde e-mailnotificatie blijkt dat hij eerst op 10 oktober 2017 de in artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb bedoelde kennisgeving heeft ontvangen. De termijn voor het indienen van het hogerberoepschrift is derhalve eerst op die datum aangevangen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift derhalve tijdig ingediend.
Het hoger beroep is ontvankelijk.
3.    Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
4.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Folkertsma-Agtersloot, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Folkertsma-Agtersloot
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2018
699. BIJLAGE
Awb
Artikel 6:8
1.    De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
[…]
Artikel 6:24
Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van Pro overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Artikel 8:36c
[…]
2.    Als het tijdstip waarop een bericht dat door de bestuursrechter is geplaatst in het in het eerste lid genoemde digitale systeem voor gegevensverwerking door de geadresseerde is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de bestuursrechter de geadresseerde hierover een kennisgeving heeft verzonden buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking.
[…]
Artikel 8:36g
De verzending van berichten door de griffier geschiedt langs elektronische weg, met uitzondering van de berichtgeving aan een partij als bedoeld in artikel 8:36b, die te kennen heeft gegeven deze op papier te willen ontvangen.
Vw 2000
Artikel 69
[…]
3.    […] De termijn voor het instellen van het hoger beroep, bedoeld in artikel 95, bedraagt één week.
[…]