ECLI:NL:RVS:2018:2733
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderopvangtoeslag wegens verblijf toeslagpartner in buitenland
De Belastingdienst/Toeslagen stelde in 2017 definitief de kinderopvangtoeslag van appellant over 2015 vast en vorderde teveel betaalde voorschotten terug. Appellant had in 2015 een toeslagpartner die het gehele jaar in Marokko verbleef. De kern van het geschil betreft de periode van 1 maart tot en met 31 december 2015, waarin appellant geen recht zou hebben op kinderopvangtoeslag omdat haar partner niet in Nederland of een gelijkgestelde staat woonde.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke bepaling in artikel 1.6, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp) dwingendrechtelijk is en geen ruimte laat voor afwijking. Appellant voerde aan dat zij werkte en kinderopvang nodig had, dat zij alle gegevens correct had verstrekt en dat zij mocht vertrouwen op het juiste voorschot. De Raad van State bevestigt echter dat het voorschot slechts een voorlopige tegemoetkoming is en dat geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend aan het voorschotbedrag.
Verder is bepaald dat terugvordering van teveel ontvangen toeslag dwingendrechtelijk is en niet kan worden gematigd, hoewel een betalingsregeling mogelijk is. De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; appellant heeft geen recht op kinderopvangtoeslag over de periode dat haar toeslagpartner in het buitenland verbleef.