ECLI:NL:RVS:2018:2757
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens onvoldoende inburgering
De staatssecretaris heeft het verzoek van appellant om naturalisatie afgewezen omdat appellant niet als voldoende ingeburgerd wordt beschouwd volgens artikel 8 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Appellant heeft geen diploma van inburgering overgelegd en de overige stukken boden onvoldoende grond voor vrijstelling van het inburgeringsexamen. Het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing werd door de staatssecretaris ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep eveneens ongegrond.
Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte geen inhoudelijke overwegingen had gegeven over de door hem overgelegde bewijzen van inburgeringsinspanningen en dat zijn situatie bijzonder genoeg was voor toepassing van artikel 10 RWN Pro, dat in bijzondere gevallen afwijking van de wettelijke voorwaarden mogelijk maakt. De Raad van State overwoog echter dat de rechtbank voldoende gemotiveerd had geoordeeld dat de omstandigheden van appellant niet zodanig bijzonder waren om artikel 10 toe Pro te passen.
De Raad benadrukte dat een ontheffingsbeschikking van het college van burgemeester en wethouders, zoals door appellant overgelegd, geen recht geeft op ontheffing van het inburgeringsexamen in het kader van naturalisatie. Alleen een ontheffingsbeschikking van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of een advies van DUO is daarvoor toereikend. Het hoger beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en afwijzing naturalisatieverzoek bevestigd wegens onvoldoende inburgering.